Aanvankelijk werd gezegd dat vluchtelingen uit Oekraïne geen asiel in Nederland hoefden aan te vragen. In een brief van 30 maart aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Van der Burg echter dat deze groep toch een vereenvoudigde asielprocedure moet doorlopen om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming. Wat zijn de gevolgen hiervan?

Door Marcelle Reneman

De meeste vluchtelingen uit Oekraïne hebben recht op tijdelijke bescherming, nu de Europese Unie de Richtlijn Tijdelijke Bescherming heeft geactiveerd. Dit betekent dat zij in de lidstaten van de Europese Unie een verblijfstitel krijgen en dat zij recht hebben op onder meer fatsoenlijk opvang, sociale bijstand en toegang tot de arbeidsmarkt en onderwijs. Zoals in ons eerdere blog ‘Tijdelijke bescherming van Oekraïners in Nederland’ is beschreven, heeft Nederland de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in 2005 omgezet in Nederlands recht. Daarbij is ervoor gekozen om personen die tijdelijke bescherming genieten te behandelen als asielzoeker.

Het was dan ook opvallend dat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (bijvoorbeeld in de uitzending van Nieuwsuur van 23 maart 2022) en de IND aangaven dat mensen die voor tijdelijke bescherming in aanmerking komen geen asielverzoek hoefden in te dienen. In plaats daarvan moesten zij zich bij de gemeente inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) en konden zij bij de gemeenten terecht voor opvang. Hiermee werd voorkomen dat het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel verder overbelast zou raken.

Vereenvoudigde asielprocedure voor tijdelijk beschermden

Op 30 maart schrijft de staatssecretaris echter in een brief aan de Tweede Kamer dat vluchtelingen uit Oekraïne toch een asielaanvraag moeten indienen om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming. De asielprocedure verloopt voor deze groep echter anders dan voor ‘gewone asielzoekers’. Met de inschrijving in de Basisregistratie Personen, komen de gegevens van vluchtelingen uit Oekraïne ook terecht in de Basisvoorziening Vreemdelingen. Daarmee raken deze vluchtelingen bekend bij de IND. De IND nodigt hen vervolgens uit om een afspraak te maken om formeel asiel aan te vragen en een bewijs op te halen waaruit blijkt dat zij recht hebben op tijdelijke bescherming.

De IND beoordeelt vervolgens of een persoon daadwerkelijk onder de doelgroep van tijdelijke bescherming valt. Daarbij is het bijvoorbeeld van belang vast te stellen wanneer de betrokkene Oekraïne verlaten heeft. Voor niet-Oekraïners (derdelanders) die uit Oekraïne gevlucht zijn moet worden bekeken of zij een verblijfsvergunning in Oekraïne hadden. Gezinsleden en familieleden van gevluchte Oekraïners moeten hun banden met en/of afhankelijkheid van die Oekraïner aantonen. De IND beoordeelt daarnaast of een persoon een gevaar is voor de openbare orde of de nationale veiligheid van Nederland. Daarvoor checkt de IND of de betrokkene geregistreerd staat in databases zoals het Schengen Informatie Systeem (SIS).

In dit systeem staan de gegevens van onder meer personen die verdacht worden van een misdrijf of die daadwerkelijk een misdrijf in de Europese Unie hebben gepleegd. Personen die een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid zijn, kunnen van tijdelijke bescherming worden uitgesloten.

Wanneer de IND heeft vastgesteld dat een persoon recht heeft op tijdelijke bescherming, dan wordt de asielprocedure verder opgeschort. De IND gaat voorlopig geen gehoren afnemen over de redenen waarom de betrokkene uit Oekraïne gevlucht is, zoals normaal gesproken gebeurt. De brief van 30 maart vermeldt dat de asielprocedure hervat kan worden, wanneer de vreemdeling na afloop van de tijdelijke bescherming de asielaanvraag wil doorzetten.

Personen die uit Oekraïne gevlucht zijn, maar niet onder tijdelijke bescherming vallen (of niet kunnen aantonen dat zij recht hebben op tijdelijke bescherming), moeten via de normale procedure asiel aanvragen. Zij moeten zich melden in Ter Apel en worden door het COA opgevangen.

Asielaanvraag: Europese asielregels van toepassing

Als een persoon die recht heeft op tijdelijke bescherming asiel aanvraagt, dan betekent dit dat de Europese asielrichtlijnen en -verordeningen van toepassing zijn. De Opvangrichtlijn bevat bijvoorbeeld regels over de opvang van asielzoekers en de Asielprocedurerichtlijn geeft standaarden voor de asielprocedure. Deze Europese regels zijn van een veel latere datum (2013) dan de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001). Het is nog niet duidelijk hoe deze regels zich verhouden tot de Richtlijn Tijdelijke Bescherming: wat gaat er voor als de regels in twee richtlijnen elkaar tegen spreken? Het is nu nog moeilijk te overzien wanneer deze situatie zich voor zal doen. Één vraag komt wel direct naar voren: binnen welke termijn moet de IND beslissen over het asielverzoek van een persoon die tijdelijke bescherming heeft?

Termijn voor de beslissing op de asielaanvraag

De staatssecretaris gaat ervan uit dat de IND pas een beslissing hoeft te nemen over het asielverzoek van tijdelijk beschermden wanneer de maatregel van tijdelijke bescherming is beëindigd. De Vreemdelingenwet bepaalt inderdaad dat een beslissing over de asielaanvraag genomen moet worden ‘op een tijdstip gelegen tussen de ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloop van de tijdelijke bescherming’. Dit is in overeenstemming met de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, waarin staat dat ‘het onderzoek van een asielaanvraag die niet voor het einde van de periode van tijdelijke bescherming is behandeld, [..] na het verstrijken van die periode [wordt] voltooid (artikel 17 lid 2).

Tegelijkertijd bepaalt de Procedurerichtlijn dat de beslistermijn voor asielverzoeken zes maanden is. Deze termijn kan verlengd worden wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat binnen zes maanden  beslist wordt ‘door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is’. In dat geval moet er echter binnen maximaal 21 maanden een beslissing worden genomen op het asielverzoek (artikel 31 lid 5). Nederland heeft voor asielverzoeken van Oekraïners en van derdelanders afkomstig uit Oekraïne een besluitmoratorium afgekondigd.

Dat betekent dat de termijn voor het beslissen op deze asielverzoeken met een jaar (en uiteindelijk tot een maximum van 21 maanden) wordt verlengd.

Het is nu onduidelijk of de beslistermijnen van de Procedurerichtlijn pas gaan lopen na afloop van de tijdelijke bescherming (die maximaal drie jaar kan duren) of al op het moment dat de asielaanvraag is gedaan. De Vreemdelingenwet gaat uit van het eerste scenario. Daarin staat zelfs dat de mogelijkheden voor verlenging van de beslistermijn van de Procedurerichtlijn na afloop van de tijdelijke bescherming kunnen worden toegepast. De totale duur van de asielprocedure zou dan maximaal 57 maanden kunnen duren (36 maanden tijdelijke bescherming plus maximale verlenging tot 21 maanden), dat is dus bijna vijf jaar. De rechter zal moeten uitmaken of dat juist is.

Een andere vraag is wanneer een tijdelijk beschermde asiel heeft aangevraagd: op het moment van de registratie in het BRP of op het moment van formele indiening van de aanvraag bij de IND. Deze vraag is relevant omdat een asielvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de asielaanvraag is ingediend. Vanaf die ingangsdatum begint ook de termijn van vijf jaar te tellen, waarna de betrokkene een asielvergunning voor onbepaalde tijd kan indienen (die niet meer kan worden ingetrokken als de situatie in het land van herkomst verbetert). Daarnaast is de ingangsdatum van belang voor het verkrijgen van een status als langdurig ingezetene. Een asielzoeker (en een tijdelijk beschermde) heeft er dus belang bij dat de asielaanvraag zo snel mogelijk wordt ingediend.

Conclusie

De beslissing om vluchtelingen uit Oekraïne die voor tijdelijke bescherming in aanmerking komen een asielaanvraag te laten indienen, is in lijn met de Vreemdelingenwet 2000. De samenloop van de status van tijdelijk beschermde en die van asielzoeker roept echter allerlei juridische vragen op die in de komende tijd beantwoord zullen moeten worden.

Bron: Verblijfblog, 7-4-2022.

Business travel between the UK and EU: immigration and visa. Conclusion Before 1 January 2021, British and EU citizens did not require a visa to travel across the Channel on a business trip. This is largely still the case post-Brexit, so we’ve been left with the appearance that nothing has really changed from a legal perspective. But with the end of free movement, immigration rules between the UK and EU have fundamentally changed, and business travel is no exception. While the pandemic has hidden some of the impacts of Brexit — we haven’t been travelling to/from the EU nearly as much — the fact remains that the legal landscape has changed considerably, with increased complexity and compliance risks for both UK and EU nationals. UK to EU In 22 of the 27 EU member states, plus Iceland, Lichtenstein, Norway and Switzerland, British business travellers are now at the mercy of two sets of regulations: the Schengen rules and country-by-country immigration laws. The Schengen Area, established in 1995, removed internal border controls between signatory nations. Third-country (non-Schengen Area) nationals are allowed to enter the bloc for a total period of 90 days in any rolling 180-day period. The UK and Ireland were never part of the Schengen Area but the right of free movement meant that the Schengen rules did not apply before Brexit – now they do. British citizens have been made exempt from the need to apply in advance for a Schengen visa, but not from the limit on time spent in the area. This 90-day rule applies simultaneously to trips for tourism and business purposes, meaning that a five-day business trip with a ten-day holiday counts as 15 days in the region. Calculating your Schengen allowance requires some mental gymnastics and an up-to-date calendar because the 180-day period is constantly rolling. The European Commission has a handy calculator but remembering to account for these days on an ongoing basis is an adjustment for many frequent business travellers. Overstaying the 90-day rule carries the potential for a bar on entry to any Schengen Area country in the future. Frontex, the EU body responsible for policing the external borders, is updating the Schengen Information System to share overstayer and deportation information with all participant countries. The intention is that previous overstayers will be recorded and can be refused entry when arriving at any Schengen country. Assuming the Schengen rules on entry are complied with, the next hurdle is the individual country’s internal immigration rules. Previously, UK nationals could do anything across the EU, including starting work the same day you arrived. Now, UK nationals are usually limited to visa-free entry for tourism and business activities. What counts as “business activities” rather than full-on work is left up to each member state to decide. For example, a UK national can visit Italy to conduct an internal audit but requires a work permit to carry out audit activities in Spain. The fact that the rules on what counts as work can and do vary across the EU has been the source of acute controversy for touring musicians. The UK government has published helpful country-by-country guides to assist business travellers. There are also several industry- and country-specific exemptions, but the point is they are just that – exemptions to the general legal position. British business travellers must therefore be aware of both their travel history across the Schengen Area, and whether or not their activities can be conducted as a business visitor in the country they are visiting. Additional complexity comes from the fact that EU members Bulgaria, Croatia, Cyprus, and Romania are not members of the Schengen Area. For these four countries, only the local immigration rules apply. The good news is that until these countries fully join the Schengen Area, days on the beach in Ayia Napa do not count towards your 90-day Schengen allowance. There are no Schengen or national immigration rules to worry about for trips to Ireland. The Common Travel Area ensures free movement for British and Irish citizens moving between the two countries. EU to the UK By the same token, post-Brexit the UK is free to set short-term entry rules for each of the EU countries individually should it so choose. As things currently stand, all EU countries are treated the same, so EU citizen business travellers can enter the UK without needing a visa. The UK has a more permissive policy than the Schengen rules, theoretically allowing entry for up to six months at a time. But a business traveller claiming to be attending meetings for the full six months is going to be viewed with considerable suspicion at the border. The UK rules for business travellers are, mercifully, spelled out more clearly than those across the continent. For example, delivering training in a classroom setting is a permissible activity, while delivering on-the-job training is not. The details are in Appendix Visitor: Permitted Activities to the Immigration Rules. In the first few weeks of 2021, reports emerged in the news of EU travellers being denied entry, held in removal centres or airport detention rooms, and ultimately removed from the UK. Home Office statistics have shown these anecdotal reports to be a trend that has continued through 2021. In the fourth quarter of 2019, around 600 EU travellers were “initially stopped” at the UK border. In Q4 2021, this was up almost 600% to 4,300. This is perhaps not surprising given the fact that EU arrivals are now being assessed similarly to non-EU nationals. But with travel to the UK in Q4 2021 still significantly lower than in Q4 2019, it is fair to say that the proportion of EU arrivals facing questioning and possible removal at the border has increased even more sharply than the absolute number. Port refusal or removal from the UK (or any country) carries several risks for a frequent business traveller. Not only will it have an impact on any attempts to re-enter the country of removal, but it is something that may have to be declared in applications for visas to other countries in the future. This can lead to delays or even visa refusals from other countries, impacting the flexibility of a traveller across the world. People refused entry to the UK are ineligible for the visa waiver next time and would instead have to apply for a standard visitor visa. This can add a significant lead-time to an otherwise routine trip. EU business travellers arriving in the UK for the first time post-pandemic should prepare for additional scrutiny and be ready to precisely explain the nature of their visit, as well as having evidence of return travel arrangements and accommodation during their stay in the UK. What’s coming? The UK plans to introduce an Electronic Travel Authorization (ETA) scheme “by the end of 2024”. This will operate in a similar way to the United States ESTA that many readers will be familiar with. People who do not currently need a short-term visa to enter the UK for business or tourism, including EU citizens, will be required to complete an online form (details are yet to be released) and pay a fee before travelling to the UK. This is not, strictly speaking, a visa but a registration allowing the government to (they claim) check your information against national and international criminal databases. Like a visa, the ETA must be approved before travel, meaning that first-time travellers to the UK will need a lead time of several days to get one. When travelling to the US, airlines check for an ESTA at the airport, and we expect the ETA will operate in the same way. Across the channel, the European Union has developed the European Travel Information and Authorisation System (ETIAS), a pre-travel authorisation system similar to the ESTA and ETA. The ETIAS will be operational by the end of 2022 but will not be mandatory until some point in 2023, as a six-month grace period has been announced to allow travellers to become familiar with the new system. An ETIAS will be required for all travellers currently enjoying visa-free travel into the EU and the Schengen Area, such as US, Canadian, Japanese, Australian and British nationals. Conclusion Business travellers have enjoyed the benefits of free movement in the EU for decades, and the idea of immigration risks for business travellers between the UK and EU had left our collective consciousness. As we come out of the pandemic, be ready to look specifically at the business activities you are undertaking in your destination country. This will be the key determining factor on whether you require an ETA/ETIAS or a more substantial work permit

LEEFGELD VOOR DE OEKRAINERS….HOEVEEL/WEINIG EN WAAROM?

Op 21 maart maakte het kabinet de hoogte van het leefgeld aan vluchtelingen uit Oekraïne bekend. Hoeveel geld krijgen zij, hoe verhoudt dat zich tot de verstrekkingen die asielzoekers ontvangen en waar is dat laatste bedrag eigenlijk op gebaseerd?

Door Lieneke Slingenberg

Op 21 maart schreven de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen aan de Tweede Kamer dat zij werken aan een regeling voor de uitkering van leefgeld aan vluchtelingen uit Oekraïne. Volgens de bewindslieden is het uitgangspunt hierbij dat ‘de opvang en het leefgeld gelijkwaardig zijn aan de verstrekkingen die aangeboden worden aan asielzoekers en vergunninghouders die verblijven bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA).’ Dat lijkt op het eerste gezicht ook het geval. Maar een gedetailleerde vergelijking laat zien dat er twee belangrijke verschillen zijn tussen het aangekondigde leefgeld voor vluchtelingen uit Oekraïne en vluchtelingen uit andere landen.

Verschil met verstrekkingen voor asielzoekers: hoogte
Een eerste verschil betreft de hoogte van het leefgeld. Voor vluchtelingen uit Oekraïne die verblijven in gemeentelijke opvang zal de hoogte circa 60 euro per persoon per week bedragen, waarbij de toelage voor voedsel € 46,97 en de toelage voor kleding en andere persoonlijke uitgaven € 12,95 zal zijn. Dat is inderdaad hetzelfde bedrag als een alleenstaande volwassen asielzoeker in Nederland krijgt (zie artikel 14 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005). Maar voor vluchtelingen uit Oekraïne geldt dit bedrag ook voor kinderen en is het bedrag onafhankelijk van de grootte van het huishouden, aldus de bewindslieden. Asielzoekers krijgen een lager bedrag voor voeding voor kinderen (38,92 per week). Het bedrag voor voeding wordt bovendien lager bij een driepersoonshuishouden (37,59 voor volwassenen en 31,15 voor kinderen) en voor een huishouden van vier of meer personen (32,90 voor volwassenen en 27,23 voor kinderen). Dit betekent dus dat een alleenstaande ouder met twee kinderen in een asielzoekerscentrum 138,74 euro per week ontvangt, terwijl het leefgeld voor dit gezin op grond van de aangekondigde regeling voor vluchtelingen uit Oekraïne 179,76 per week zal zijn. Een verschil dus van 41,02 euro per week (bijna 30%).

Verschil met verstrekkingen voor asielzoekers: aanvang uitkering
Een tweede verschil betreft de aanvang van de uitkering van leefgeld. Zoals het er nu uitziet, zullen vluchtelingen uit Oekraïne leefgeld ontvangen vanaf het moment dat ze zijn geregistreerd. In sommige gemeenten is dat zelfs nu al het geval, zo blijkt uit de brief van de bewindslieden. Asielzoekers krijgen echter geen financiële toelage tijdens de eerste fase van de asielprocedure. Tijdens de rust- en voorbereidingstermijn en de algemene asielprocedure op het aanmeldcentrum, wat in totaal soms wel maanden of jaren kan duren, krijgen ze alleen voorzieningen in natura (zie artikel 14, lid 9 Rva 2005). De Nationale Ombudsman en de Kinderombudsvrouw hebben twee jaar geleden de staatssecretaris al opgeroepen om deze beperking op te heffen en asielzoekers tijdens (de oplopende) wachttijd een financiële toelage te verstrekken. Vluchtelingenwerk uitte recent nog haar zorgen over het feit dat asielzoekers in de noodopvang geen geld ontvangen.

Onderbouwing van het bedrag van 60 euro
Het bedrag voor volwassen alleenstaande asielzoekers en voor vluchtelingen uit Oekraïne is opgesplitst in een bedrag voor voeding (46,97 euro) en een bedrag voor kleding en andere persoonlijke uitgaven (12.95 euro). Deze bedragen zijn vastgesteld in 2011. Het bedrag voor voeding is sindsdien jaarlijks geïndexeerd. Volgens de toelichting is het bedrag voor voeding gebaseerd op de door het Nibud gehanteerde richtbedragen ten aanzien van dagelijkse kosten voor voeding per persoon bij verschillende huishoudgroottes. Het Nibud stelt jaarlijks de minimale kosten vast voor verantwoorde voeding, op basis van richtlijnen van het Voedingscentrum. Wat opvalt is dat het bedrag voor asielzoekers is gebaseerd op het laagste bedrag voor volwassenen, namelijk het bedrag voor vrouwen tussen de 14 en 50 jaar (6,71 euro per dag). Voor mannen en voor vrouwen boven de 50 jaar gelden hogere minimumkosten. Voor kinderen is het niet helemaal duidelijk op welke leeftijdscategorie van het Nibud het bedrag voor asielzoekers (5,56 euro per dag) is gebaseerd. Het ligt tussen de minimumkosten voor kinderen van 4 tot 8 jaar (3,80 euro per dag) en kinderen van 9 tot 13 (6,21 euro per dag) in, maar is iets meer dan de gemiddelde minimumkosten van alle kinderen van 0 tot 18 jaar (5,49 euro per dag). Voor alle kinderen vanaf 9 jaar, voor alle volwassen mannen en voor vrouwen boven de 50 jaar is het bedrag dus niet in overeenstemming met de Nibud normen. Als het gaat om huishoudens van drie of meer personen dan zijn de bedragen uit de Rva 2005 wel in overeenstemming met de Nibud normen, en soms zelfs iets hoger.

Het bedrag voor kleding en andere persoonlijke uitgaven is sinds 2011 niet geïndexeerd, terwijl de consumentenprijsindex tussen 2011 en 2021 met ruim 17% is gestegen. Het is onduidelijk waarop het bedrag van 12,95 euro is gebaseerd. De toelichting uit 2011 vermeldt dat ‘aansluiting is gezocht bij het bedrag dat Nibud hanteert voor zakgeld voor een alleenstaande die zijn eigen eten verzorgt’. Dit is een opmerkelijke toelichting, nu het voor het bedrag dat nodig is voor het aanschaffen van kleding en andere persoonlijke spullen, niet van belang lijkt te zijn of iemand wel of niet zijn eigen eten verzorgt. Bovendien is niet duidelijk aan welke norm van het NIBUD wordt gerefereerd.

Volgens het Nibud kost kleding vanaf 12 jaar en ouder 47 euro per maand voor jongens en 54 euro per maand voor meisjes, gemiddeld dus 11,65 euro per week. Dat betekent dat er nog 1,30 euro per week overblijft voor andere persoonlijke uitgaven, zoals openbaar vervoer, persoonlijke verzorgingsmiddelen, mobiele telefonie, schoonmaakmiddelen etc. Dat is erg weinig. De toelage voor kleding en andere persoonlijke uitgaven kan ook worden vergeleken met de inkomsten van mensen die in een inrichting verblijven. Omdat voor deze personen wordt voorzien in ‘voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke’, worden zij ‘niet geconfronteerd met een aantal belangrijke bestaanskosten’ en geldt voor hen een lagere bijstandsnorm, ‘afgestemd op de beperkte uitgaven die voor rekening van de belanghebbende blijven’. Deze situatie is dus vergelijkbaar met de situatie van asielzoekers die in een opvangcentrum van het COA verblijven. De bijstandsnorm voor alleenstaanden die in een inrichting verblijven is momenteel 345,68 euro per maand (zie artikel 23 Participatiewet), dus bijna 80 euro per week. Dat betekent dat de toelage voor mensen die in een inrichting verblijven meer dan zes keer zo hoog is dan die voor asielzoekers die in een opvangcentrum verblijven, terwijl ze beiden worden geconfronteerd met dezelfde ‘beperkte uitgaven’ die voor eigen rekening blijven.

Conclusie
Momenteel werkt het kabinet aan een regeling voor de uitkering van leefgeld aan vluchtelingen uit Oekraïne. Volgens het kabinet is het de bedoeling dat deze uitkering gelijkwaardig is aan de verstrekkingen van asielzoekers. De aangekondigde plannen laten zien dat er echter zowel met betrekking tot de hoogte als met betrekking tot de aanvang van de uitkering belangrijke verschillen bestaan met de verstrekkingen voor asielzoekers. Dat vereist uitleg.

De zorgen van de Nationale Ombudsman, de Kinderombudsvrouw en Vluchtelingenwerk over het ontbreken van leefgeld tijdens de (lange) wachttijd en eerste fase van de asielprocedure en het ontbreken van indexatie en een duidelijke onderbouwing van het bedrag voor kleding en andere persoonlijke uitgaven voor asielzoekers, roepen de vraag op of het kabinet niet alleen naar het leefgeld voor vluchtelingen uit Oekraïne moet kijken, maar ook het leefgeld voor asielzoekers in Nederland nog eens kritisch onder de loep moet nemen.

bron: Verblijfblog

Aanbevelingen van het VN-Kinderrechtencomité n.a.v. de rapportage van de Nederlandse regering over de naleving van het IVRK(Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind).

Datum: 11-2-2022

Het VN-Kinderrrechtencomité uit zijn zorgen over onder meer:

– het lage kennisniveau van het verdrag onder kinderen;

– de onevenredig grote gevolgen van de regionale verschillen en feitelijke discriminatie voor kinderen in achterstandsituaties in o.m. het onderwijs, de jeugdzorg en het rechtssysteem;

– de inconsequente naleving van het belang van in kind in o.a. migratie- en asielprocedures;

– de leeftijdsgrens voor de betrokkenheid van kinderen van 12 jaar bij o.a. armoedebestrijding;

– de strenge omstandigheden waaronder staatloze kinderen het Nederlanderschap kunnen aanvragen, waaronder de eis van drie jaar legaal verblijf;

– het hoge aantal uithuisplaatsingen van kinderen wegens economische redenen;

– het gebrek aan (de naleving van) maatregelen ter voorkoming van kindersterfte voor zwangere vrouwen in kwetsbare situaties, waaronder azc’s;

– het aantal kinderen dat leeft in armoede;

– de gevolgen van recente wijzigingen in het Vb (Vreemdelingenbesluit), zoals de samenvoeging van het aanmeld- en het eerste gehoor, voor asielzoekende kinderen;

– het feit dat asielzoekende kinderen ouder dan 15 jaar soms worden beoordeeld a.d.h.v. criteria voor volwassenen;

– uitzetting van asielzoekende kinderen zonder individuele beoordeling of scheiding van de ouders in Caribisch Nederland;

– de strenge voorwaarden voor gezinshereniging van kinderen met hun ouders die niet kunnen worden getraceerd.

Bron: Migratieweb.

Bericht van RvIG: Update registratie Oekraïners in de BRP

woensdag 16 maart 2022

Veel mensen die uit Oekraïne zijn gevlucht voor het oorlogsgeweld, melden zich nu en de komende tijd bij gemeenten.

Onderstaande werkwijze is van kracht:

Personen van wie de gemeente niet de identiteit kan vaststellen of van wie de gemeente niet kan constateren dat zij de Oekraïense nationaliteit hebben, worden niet ingeschreven.

Over de wel te volgen procedure, voor wat betreft het verblijfsrecht en de inschrijving in de BRP, volgt spoedig meer informatie. Deze personen kunnen nog geen aangifte doen van verblijf en adres.

Dit betekent dat beperkt en niet-gedocumenteerde Oekraïners en (on)gedocumenteerde derdelanders nog niet in de BRP kunnen worden geregistreerd. Over te volgen werkwijze moet nog een politiek besluit worden genomen.

Let op: De werkwijze zoals beschreven in de Handreiking Gemeentelijke Opvang Oekraïners (GOO) is nog niet de definitieve werkwijze en moet daarom ook niet uitgevoerd worden.

Ongedocumenteerde Oekraïners

Als een Oekraïner niet of onvoldoende gedocumenteerd is en de gemeente kan de identiteit of nationaliteit niet vaststellen, dan kan deze persoon verwezen worden naar de Oekraïense ambassade. De ambassade kan de persoon verifiëren en een certificaat afgeven waarin de identiteit en nationaliteit wordt bevestigd.

Oekraïners kunnen dit document aanvragen tijdens het inloopspreekuur van de consulaire afdeling van de Oekraïense ambassade op werkdagen van 09:00-13:00 op Zeestraat 78, 2518 AD Den Haag.

Voor minderjarige kinderen die in gezinsverband zijn meegekomen en die geen identiteitsbewijs hebben, geldt het volgende:

Ouders kunnen (bij gebrek aan overige documenten) een verklaring onder ede of belofte afleggen, waarmee de gemeente de identiteit van de kinderen vaststelt. Vervolgens schrijft de gemeente ook deze kinderen in. Dit is een uitzondering op de standaardregel dat hiervoor een identiteitsbewijs nodig is. Deze uitzondering is alleen toepasbaar voor deze doelgroep in de huidige omstandigheden. (P.S. dit kan toch ook gelden voor andere vluchtelingen – ouders (Afghanistan, Jemen, Eritrea enzovoort), gezien de “huidige omstandigheden” waarin deze vluchtelingen verkeren?)

Bron: NVVB (Cursivering en PS zijn van mijn hand).

Inschrijving van personen uit Oekraïne in de Basisregistratie Personen

Veel mensen die uit Oekraïne zijn gevlucht voor het oorlogsgeweld, melden zich nu en de komende tijd bij gemeenten. Dit bericht gaat over de inschrijving van deze mensen in de BRP en hoe gemeenten daarmee om kunnen gaan.

Inschrijving als ingezetene

Personen met de Oekraïense nationaliteit kunnen worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op aangifte van verblijf en adres bij de gemeente waar zij (tijdelijk) verblijven. De gemeente hoeft geen verblijfsrechtelijke toets te doen. Zij hebben rechtmatig verblijf op grond van de vrije verblijfstermijn van 180 dagen.

De gemeente hoeft niet te onderzoeken of te inventariseren welke verblijfsrechtelijke status precies op deze Oekraïense burgers van toepassing is. Deze Oekraïners hebben in ieder geval rechtmatig verblijf in Nederland.

Gemeenten kunnen gelet op de situatie ervan uitgaan, dat de Oekraïners meer dan twee derde van het komende half jaar in Nederland zullen verblijven. De gemeente vraagt bij de aangifte verder alle voor handen zijnde documenten, waaraan gegevens kunnen worden ontleend.

Identiteit en nationaliteit

Als een Oekraïner zich meldt bij een gemeente en zegt uit Oekraïne te komen en hij of zij een (tijdelijk) verblijfsadres heeft in de gemeente, kan deze persoon in de BRP worden ingeschreven als ingezetene. Voorwaarde voor inschrijving is dat de gemeente de identiteit moet kunnen vaststellen aan de hand van een paspoort of ander identiteitsbewijs. Daarnaast moet de gemeente kunnen vaststellen dat het een persoon is met de Oekraïense nationaliteit.

Minderjarige kinderen

Voor minderjarigen die in gezinsverband zijn meegekomen en die geen identiteitsbewijs hebben, kunnen de ouders (bij gebrek aan overige documenten) een verklaring onder eed of belofte afleggen, waarmee de gemeente de identiteit van de kinderen vaststelt. Vervolgens schrijft de gemeente ook deze kinderen in. Dit is een uitzondering op de standaardregel dat hiervoor een identiteitsbewijs nodig is. Deze uitzondering is alleen toepasbaar voor deze doelgroep in de huidige omstandigheden.

Personen van wie de gemeente niet de identiteit kan vaststellen of van wie de gemeente niet kan constateren dat zij de Oekraïense nationaliteit hebben, worden niet ingeschreven. Over de te volgen procedure, zowel voor wat betreft het verblijfsrecht als de inschrijving in de BRP, volgt zo spoedig mogelijk informatie. Deze personen kunnen nog geen aangifte doen van verblijf en adres.

Identiteitsdocumenten

De gemeente maakt geen onderscheid tussen Oekraïners met een biometrisch paspoort of met een paspoort zonder biometrie. Een binnenlandse identiteitskaart vermeldt ook de Oekraïense nationaliteit en kan dus ook gebruikt worden voor de vaststelling van de identiteit en de nationaliteit. Het bureau Documenten van de IND heeft toegezegd zo spoedig mogelijk informatie over Oekraïense documenten op te nemen in DISCS.

Inreisdatum niet van belang voor inschrijving

De gemeente hoeft niet te controleren wanneer de Oekraïner de grens van Oekraïne is overgestoken. Deze datum heeft geen invloed op de mogelijkheid om te worden ingeschreven als ingezetene in de BRP. Alle Oekraïners die melden uit Oekraïne te zijn gevlucht, kunnen in beginsel worden ingeschreven in de BRP als ingezetene.

Verblijfstitelcode

De inschrijving in de BRP zorgt ervoor dat de IND automatisch wordt geïnformeerd. De IND zal vervolgens de verblijfsrechtelijke kant verwerken en geeft daarna de verblijfstitel door aan de BRP volgens de gebruikelijke weg. Mogelijk gebeurt dit niet direct, maar op een later moment.

RNI

Inschrijving als niet-ingezetene in de Registratie Niet-ingezetenen (RNI) is ongewenst, vanwege de verwachte verblijfsduur (meer dan 4 maanden). RNI loketten moeten betrokkenen daarom verwijzen naar de gemeente voor inschrijving als ingezetene.

Tot slot

Dit is niet het laatste bericht over de inschrijving van Oekraïners in de BRP. De verwachting is dat er vragen zijn en zullen komen, waarop dit bericht geen antwoord geeft. De veelgestelde vragen worden gepubliceerd op de website van RvIG.

Bron: RvIG

9-3-2022.

VALSE START

De invoering van de nieuwe wet Inburgering, die na een jarenlange voorbereiding op 1-1-2022 van kracht is geworden kent een valse start.

De Minister van Sociale Zaken legt in de hierna volgende brief uit hoe dit komt en vertelt wat er gaat gebeuren om deze start goed te maken:

“Hierbij informeer ik uw Kamer over de ten onrechte verzending van een kennisgeving inburgeringsplicht Wet inburgering 2021 (Wi2021) aan nieuwkomers met een verblijfsvergunning van vóór 1 januari 2022.

Na verzending van de eerste kennisgevingen van de inburgeringsplicht onder de Wi2021 door DUO begin januari is gebleken dat inburgeringsplichtigen die onder de Wet inburgering 2013 (Wi2013) hadden moeten vallen, ten onrechte een kennisgeving hebben ontvangen dat zij inburgeringsplichtig zijn onder de Wet inburgering 2021. Op grond van artikel 54 van de Wi2021 geldt dat de Wi2013 van toepassing blijft op de personen op wie deze wet van toepassing was op 31 december 2021.

In 2019 is door SZW de conclusie getrokken dat uit de wetgeving volgt dat voor een bepaalde groep inburgeringsplichtigen geldt1 dat de datum van de kennisgeving van de inburgeringsplicht die DUO naar de inburgeringsplichtige stuurt bepalend is voor de start van de inburgeringsplicht en het toepasselijke regime. Deze conclusie is verbreed naar de hele groep inburgeringsplichtigen en heeft, naar nu blijkt ten onrechte, consequenties gehad voor de toepassing van de Wi2021.

De hieruit voortvloeiende werkwijze is toegepast bij de verzending van de eerste kennisgevingen onder de Wi2021. Er zijn naar huidig inzicht circa 500 kennisgevingen verstuurd naar de inburgeraar. Daarvan had een deel een verblijfsvergunning van vóór 1 januari 2022. DUO voert nog aanvullend onderzoek uit naar de omvang en samenstelling van deze groep.

Uit een juridische analyse is nu gebleken dat deze personen niet onder deWi2021 moeten inburgeren maar onder de Wi2013. Op mijn verzoek heeft DUO het proces van versturen van kennisgevingen tijdelijk stopgezet om te voorkomen dat de groep die onder het verkeerde regime is gebracht, verder toeneemt.

1 Het gaat om jongeren die voor hun 18e naar Nederland zijn gekomen en op hun 18e tijdelijk vrijgesteld waren van de inburgeringsplicht vanwege het volgen van een vrijstellende opleiding.

DUO inventariseert op dit moment de stappen die gezet moeten worden om het proces vaststellen inburgeringsplicht op correcte wijze weer te hervatten en welke acties moeten worden ondernomen ten aanzien van de personen die ten onrechte onder de Wi 2021 zijn gebracht. Omdat dit ook de processen van de ketenpartners COA en gemeenten raakt zullen zij ook hierbij worden betrokken.

Mijn eerste prioriteit ligt nu bij het zo snel mogelijk hervatten van het proces van versturen van kennisgevingen van de inburgeringsplicht bij DUO.

Daarnaast wil ik snel duidelijkheid geven aan de personen die onterecht bericht hebben gekregen dat ze onder de Wi2021 vallen.

Ik zal daarna bezien of en welke consequenties de recente bevindingen hebben voor bepaalde groepen die eerder onder de Wi2013 inburgeringsplichtig zijn geworden.

Ik betreur deze gang van zaken en met name het eventuele ongemak dat dit voor betrokkenen met zich brengt. Wanneer het uitvoeringsproces weer is hervat zal ik uw Kamer over het verdere verloop informeren.

Met vriendelijke groet,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

C.E.G. van Gennip

Verlenen werkvergunningen buitenlandse werknemers wijzigt

Vanaf 1 januari 2022 is de Wet arbeid vreemdelingen gewijzigd. Vanaf dan kan een werkvergunning voor een langere periode worden verleend( max 3 jaar, was eerder 1 jaar). En werkgevers moeten het loon maandelijks via een bankrekening aan buitenlandse werknemers uitbetalen.

Maximale duur werkvergunning buitenlandse werknemer verlengd

Door de wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan vanaf 1 januari 2022 een werkvergunning voor maximaal 3 jaar worden verleend. Dit was maximaal 1 jaar. Een werkvergunning met een volledige arbeidsmarkttoets kan voor maximaal 2 jaar worden verleend, in plaats van 1 jaar. Een arbeidsmarkttoets betekent dat een werkgever eerst in Nederland en de EER-landen naar geschikte werknemers moet zoeken en dat gekeken moet worden naar aanwezig aanbod in Nederland en de EER.

Extra voorwaarde voor het betalen van het loon

Een andere wijziging is dat de werkgever het loon dat op de werkvergunning staat via een bankrekening aan de werknemer moet betalen, over een periode van maximaal een maand. Hierdoor kan de Nederlandse Arbeidsinspectie de loonbetaling beter controleren. Als de werkgever het loon niet op deze manier betaalt, kan de werkvergunning worden ingetrokken of niet worden verlengd.

Economische activiteiten nieuwe voorwaarde voor werkvergunning

Per 1 januari 2022 kan de aanvraag van een vergunning worden afgewezen als er bij de werkgever geen economische activiteiten plaatsvinden. Dit moet voorkomen dat een buitenlandse werknemer naar Nederland komt, terwijl de werkgever geen loon kan uitbetalen. Voor werkgevers van startende ondernemingen geldt dat de werkgever binnen een afgesproken periode kan aangeven dat zijn onderneming is gestart.

Bron: UWV

Dit is een kort persbericht over de wijzingen in de WAV. Op het vlak van het aanvragen van een werkvergunning en verblijfsvergunning is ook het een en ander veranderd. Er zijn 2 manieren om een werkvergunning (de juiste naam is tewerkstellingsvergunning) aan te vragen. Dat kan via de GVVA procedure: dit is een gecombineerde aanvraag van de tewerkstellingsvergunning en de verblijfsvergunning. De IND beslist op dit verzoek na advies van Economische Zaken. Daarnaast is het voor speciale groepen mensen mogelijk om een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Bijvoorbeeld: iemand die al jaren in Italie woont en daar de EU verblijfsvergunning langdurig ingezetene heeft en deze persoon wil nu in Nederland komen werken, dan moet de werkgever alleen de tewerkstellingsvergunning aanvragen.

Om hier te mogen werken en je komt uit een land van buiten de EU, dan heb je altijd support nodig van een werkgever, die jou in dienst wil nemen.

Don’t forget.

1 Januari 2022

Vandaag, 1 januari 2022 is het precies 5 jaar geleden dat ik als ZZP’er begonnen ben met het MVV Advies Bureau Eindhoven. Een maand daarvoor had ik mij als zelfstandige laten registreren bij de Kamer van Koophandel in Eindhoven.

Niet alleen klanten uit Eindhoven komen naar het bureau, maar uit heel Nederland word ik geraadpleegd voor advies en hulp als het gaat over het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier. De meeste aanvragen gaan over de overkomst van de buitenlandse partner. Sinds twee jaar huur ik een mooi kantoor aan de Rozentuin in Eindhoven. Via de Hertogstraat kun je ook binnenkomen.

Ik zeg dank- je -wel tegen de mensen die mij gesteund hebben en/of nog steunen. Die steun heb je als eenmansbedrijfje echt nodig om vooruit te komen.

met vriendelijke groet,

Peter Ploeger.