Is er licht aan de inburgeringshorizon – dankzij de toeslagenaffaire?

12-07-2021, Kamervragen inzake uitspraak omtrent het te laat afronden van de inburgering – Antwoorden

Antwoorden van de MvSZW op vragen van het lid van Kent (SP) over de uitspraak van 1 juni 2021 van de Rechtbank Haarlem omtrent het te laat afronden van de inburgering.

De MvSZW stelt geen hoger beroep in tegen deze uitspraak. Er is alsnog een verlenging van de inburgeringstermijn toegekend.

De Wet inburgering 2013 is bewust opgezet als een strenge wet. Met de inzichten van nu, mede gevoed door de lessen van de Kinderopvangtoeslagaffaire, zal de MvSZW opnieuw gaan kijken naar het huidige stelsel en de positie van de veelal kwetsbare groep inburgeraars daarin. Op dit moment wordt daarom een verkenning uitgevoerd naar verbetermogelijkheden binnen het huidige stelsel. In deze verkenning wordt het huidige stelsel ook onderzocht op hardvochtige effecten op inburgeraars. Daarbij wordt ook gekeken naar de bestaande regels voor terugvordering van de lening bij overschrijden van de termijn. Om gedeeltelijke kwijtschelding mogelijk te maken moet de regelgeving inburgering worden aangepast.

Het huidige stelsel houdt tot op zekere hoogte al wel rekening met individuele omstandigheden. Zo verlengt DUO de inburgeringstermijn als er sprake is van niet-verwijtbare omstandigheden. Daarnaast zijn de mogelijkheden tot ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen (AGI) in 2018 verruimd waardoor ook als niet aan de formele criteria voor ontheffing AGI wordt voldaan op grond van bijzondere individuele omstandigheden DUO op verzoek een ontheffing kan verlenen. Tot slot wordt als onderdeel van de verkenning gekeken hoe nog meer maatwerk kan worden geleverd.

In de nieuwe Wet inburgering is kwijtschelding van de lening en mogelijke terugbetaling van de lening bij overschrijding van de termijn niet meer aan de orde. Asielmigranten krijgen immers een persoonlijk inburgeringstraject aangeboden. Ook wordt in de nieuwe wet een hardheidsclausule opgenomen waardoor er meer ruimte komt voor maatwerk bij het opleggen van een boete.

Nederlands paspoort voor Ranov-ers per 1-11-2021.

Verkrijging van het Nederlanderschap door Ranov-vergunninghouders

Jongvolwassenen In mijn brief van 26 april 2021 heb ik u bericht over de beleidswijziging van 1 juni jl. ten behoeve van de niet-genaturaliseerde Ranov-vergunninghouder die als minderjarige samen met zijn ouder(s) of
zelfstandig een Ranov-vergunning heeft gekregen, en inmiddels meerderjarig is. De brief stelt dat alleen bij naturalisatie sprake is van vrijstelling van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Na verzending van de brief is vastgesteld dat de opgenomen formulering te beperkt is.
Beoogd is een vrijstelling voor het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit in zowel de optie- als de naturalisatieprocedure. De brief had moeten vermelden: ‘c) van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit [en daarvan een bewijsstuk te overleggen].’

Overige Ranov-vergunninghouders
Naar aanleiding van de schriftelijke vragen van de leden Van Ojik (GroenLinks), Jasper van Dijk (SP) en Kuiken (PvdA) (ingezonden 14 januari 2021 met kenmerk 2021Z00586) heb ik het WODC gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijke belemmeringen die Ranov-vergunninghouders ondervinden bij
naturalisatie en te onderzoeken in hoeverre er meer van hen gevraagd wordt dan redelijkerwijs van hen verwacht kan worden. Een actueel beeld is noodzakelijk om tot een zorgvuldig afgewogen beslissing te komen. Inmiddels is het WODC/IND-onderzoek afgerond, de uitkomsten van dit onderzoek vindt u in de bijlage. Op basis van dit onderzoek met actuele cijfers en inzichten heb ik een besluit genomen over het beleid.
Het inmiddels afgeronde onderzoek brengt in kaart hoeveel van de oorspronkelijke Ranovvergunninghouders (ca. 28.000 personen) momenteel Nederlander is (60%), afgewezen is voor naturalisatie (3%), nog nooit een naturalisatieverzoek heeft ingediend (36 %) of in een naturalisatieprocedure zit (1%). Circa 2.000 personen van de oorspronkelijke groep zijn overleden,
hebben Nederland verlaten of hebben geen geldige verblijfsvergunning meer.
Onderzocht is welke belemmeringen voor het indienen van een naturalisatieverzoek zijn te identificeren voor Ranov-vergunninghouders. Het slot van het als bijlage met deze brief meegestuurde WODC/IND-rapport vat de onderzoeksresultaten als volgt samen: ‘Uit verschillende onderzoeken gedaan tussen 2014-2017 kwam naar voren dat de documenteneis verreweg het
grootste obstakel vormde voor nog niet genaturaliseerde Ranov-vergunninghouders om een verzoek tot naturalisatie in te dienen. Sindsdien zijn er geen grote beleidswijzigingen doorgevoerd en zonder geldig paspoort en/of geboorteakte is het ook in 2021 nog steeds moeilijk om te naturaliseren. De IND geeft aan dat voor de meeste landen in theorie documenten te verkrijgen zijn. In de praktijk is dit echter niet altijd mogelijk. Dat zal in sommige gevallen te wijten kunnen zijn aan eerder verkeerd verstrekte gegevens, maar heeft in andere gevallen te maken met tegenwerkende autoriteiten (die
zonder documenten personen niet als onderdaan erkennen) of angst naar het land van herkomst af te reizen. Voor mensen voor wie dit geldt, betekent dit in de praktijk dat zij momenteel zeer beperkt perspectief hebben op het Nederlanderschap terwijl zij hier al meer dan 20 jaar wonen.’

Nederland gevestigde personen op te heffen (zie tevens Kamerstuk 19637, nr. 2709 en Kamerstuk 32317, nr. 689). Ik zie op grond van de nderzoeksresultaten en op grond van de specifieke en uitzonderlijke omstandigheden van deze groep reden om tevens de overige Ranovvergunninghouders in de optie- en naturalisatieprocedure vrij te stellen van:
a) het overleggen van een geldig buitenlands paspoort (of anderszins een bewijs van het actuele bezit van een vreemde nationaliteit) en b) het overleggen van een (buitenlandse) geboorteakte/geboorteregistratiebewijs en
c) indien van toepassing van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit [en daarvan een bewijsstuk te overleggen].

De overige naturalisatievoorwaarden gelden onverminderd, zoals de voorwaarden omtrent openbare orde en nationale veiligheid. Daaronder valt de bij naturalisatie (ook) bestaande regel dat indien de IND twijfel heeft aan de gestelde persoonsgegevens en/of nationaliteit het naturalisatieverzoek wordt afgewezen. Deze regel geldt ook bij naturalisatieverzoeken van asielgerechtigden, die uit de aard van de zaak geen documenten hoeven te overleggen uit het land tegen wiens autoriteiten zij bescherming hebben gekregen.

Mijn besluit wordt geformaliseerd met een daartoe strekkende aanpassing van het beleid in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze aanpak is uitdrukkelijk beperkt tot de groep Ranov-zaken, ook in het licht van de herhaalde onderzoeken die
hiernaar zijn gedaan. Voor overige zaken blijft onverkort het huidige beleid en de bestaande voorwaarden gehandhaafd.

Om de uitvoerende instanties, waaronder ook gemeentes, voldoende gelegenheid te geven de werkprocessen aan te passen en de dienstverlening hiervoor in te richten (onder meer ten behoeve van de registratie van deze groep), zal deze beleidswijziging per 1 november 2021 worden ingevoerd.

In verband met de beleidsaanpassing die op 1 november 2021 in werking zal getreden, zal tijdelijk niet beslist worden op een naturalisatieverzoek van iemand die op of na 1 november 2021 zou zijn vrijgesteld en aan de overige voorwaarden voldoet.

Bron: brief van de Staatssecretaris van Justitie dd. 7-7-2021.

MVV aanvragen zonder inburgering buitenland?

… Bij motie  is verzocht om samen met ambassades, consulaten en uitvoeringsorganisaties te zoeken naar oplossingen voor buitenlandse geliefden van Nederlandse burgers, die door COVID-maatregelen geen inburgeringsexamen kunnen doen. Sinds het afschalen van de niet-noodzakelijke consulaire dienstverlening door COVID, hebben de ministeries van Buitenlandse Zaken, Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid voortdurend gezocht naar oplossingen om MVV- en inburgeringsplichtigen in het buitenland zo goed als mogelijk te kunnen bedienen.

Nederlandse ambassades en consulaten-generaal hebben sinds mei 2020 daar waar de lokale omstandigheden dit toelieten hun consulaire dienstverlening weer opgeschaald. Van de Nederlandse vertegenwoordigingen waar het basisexamen inburgering buitenland kan worden afgelegd zijn op peildatum 19 mei 2021 61 van de 72 posten (85%) beschikbaar voor het afnemen van een basisexamen inburgering.

  1. De top 5 grootste ‘inburgeringsposten’ zijn Rabat, Bangkok, Manilla, Jakarta en Accra. Deze posten faciliteren momenteel alle weer het basisexamen inburgering buitenland. Kandidaten voor wie het bij de dichtstbijzijnde Nederlandse vertegenwoordiging niet mogelijk is om een inburgeringsexamen af te leggen, mogen dit ook doen op een andere Nederlandse vertegenwoordiging waar dit wel mogelijk is.
  2. Daarnaast geldt er een coulancemaatregel voor personen die zich momenteel legaal in Nederland bevinden en die door het ontmoedigen van reisbewegingen niet hun MVV-aanvraag en inburgeringsexamen in het buitenland kunnen doen en daardoor in een overmachtssituatie dreigen te geraken. Zij kunnen onder bepaalde voorwaarden in Nederland een verblijfsaanvraag indienen zonder eerst het basisexamen inburgering te hebben behaald.
  3. Daarnaast geldt dat een beroep kan worden gedaan op een ontheffing van het basisexamen inburgering wanneer men van mening is dat het niet mogelijk is te voldoen aan dit vereiste. Het tijdelijk niet kunnen afleggen van het basisexamen buitenland vormt op zichzelf geen reden tot ontheffing, maar wordt wel als een van de wegingsfactoren meegenomen bij de beoordeling. In de toekenning van de ontheffing wordt meegewogen of men zich heeft voorbereid op het examen.

Bron Brief over diverse migratieonderwerpen van de Staatssecretaris van Justitie d.d.7-7-2021.

PS: ik heb de layout van de brief iets veranderd en de 3 belangrijke punten apart gezet. Lees vooral nummer 2 en 3.

Minderjarig Nederlands kind met moeder, van buiten de EU in de opvang, kan dat, mag dat?

Eiseres is van Marokkaanse nationaliteit en is in december 2018 met haar zoon, van Nederlandse nationaliteit, naar Nederland gekomen. Ze is in het bezit van een verblijfsvergunning ex art. 20 VWEU o.g.v. het arrest Chavez

De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen recht heeft op maatschappelijke opvang en noodopvang o.g.v. de Wmo.

1. De rechtbank (rb) overweegt dat eiseres en haar zoon geen recht hebben op maatschappelijke opvang. De gemeente mag het beleid voeren dat zij alleen mensen toelaat tot de maatschappelijke opvang, die beperkt zelfredzaam zijn op meerdere leefgebieden. De GGD heeft de zelfredzaamheid van eiseres onderzocht op de leefgebieden verslaving middelen, somatische en psychische bijzonderheden, veiligheid en justitie, en steun vanuit de zorg en heeft geconcludeerd dat zij voldoende zelfredzaam is. De gemeente kwam dus na zorgvuldig onderzoek tot de conclusie dat eiseres een vrouw is met een huisvestingsprobleem, die zich op andere levensgebieden zelf kan redden en staande kan houden in de maatschappij. De enkele omstandigheid dat zij geen woning kan vinden, is daartoe onvoldoende.

2. De rb is allereerst van oordeel dat de brief van de wethouder van 5 juni 2019 niet kan worden aangemerkt als beleid, omdat niet is gebleken dat deze op de juiste manier officieel bekend is gemaakt. Voorts is de vaste gedragspraktijk van de gemeente, zoals neergelegd in deze brief, in strijd is met art. 20 VWEU.

De gemeente kan de noodopvang van remigrantengezinnen met gezinsleden die de nationaliteit hebben van een EU-lidstaat niet beëindigen om de reden dat zij zouden kunnen terugkeren naar hun land van herkomst buiten de EU. Uit de arresten Chavez en Zambrano volgt immers dat kinderen die de nationaliteit hebben van een EU-land, feitelijk niet gedwongen kunnen worden de EU te verlaten. EU-burgers hebben in dit kader ook recht op een minimum aan sociale voorzieningen, dus niet alleen op bijstand en kinderbijslag, maar ook op de algemene voorziening noodopvang. De noodopvang is immers bedoeld als humanitaire ondergrens wat betreft het recht op onderdak voor gezinnen. De gemeente maakt onderscheid tussen de sociale voorziening noodopvang en sociale voorzieningen zoals bijstand, kinderbijslag en de maatwerkvoorziening opvang. De rb vindt dit onderscheid niet gerechtvaardigd. Het gaat immers om de vraag of de voorziening van de staat nodig is voor het kind om een menswaardig bestaan te leiden in de EU en het kind het niet uiterst moeilijk, dan wel feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, zijn of haar verblijfsrecht uit te oefenen. Door de voorziening noodopvang, die de ouders van andere Nederlandse kinderen ook ontvangen, te beëindigen, werden eiseres en haar zoon dakloos.

Beroep gegrond.

Bron: 08-06-2021, Rb Amsterdam (mk), AMS 19/6638, ECLI:NL:RBAMS:2021:2978.

TERUG UIT THAILAND…

Kees woonde 7 jaar in Thailand. In juli 2020 keerde hij terug naar Nederland om hier weer te gaan werken en een leven op te bouwen. Hij start op 24 juli met werken en vraagt via internet meteen een zorgverzekering aan. Op 3 augustus schrijft hij zich in bij de Basisregistratie Personen (BRP) in de gemeente waar hij woont.

Een ziekenhuisopname en onverzekerd

Op 27 juli krijgt Kees ernstige pijnklachten. Hij komt in het ziekenhuis terecht en daar blijkt dat hij galstenen heeft en zijn galblaas moet worden verwijderd. Kees is snel weer pijnvrij en is opgelucht dat hij zijn zaken van tevoren goed geregeld had. Tot zijn schrik, ziet hij dat de startdatum van zijn zorgverzekering 3 augustus is, terwijl hij op 24 juli de zorgverzekering heeft aangevraagd. Wat blijkt? De zorgverzekeraar heeft de zorgverzekering in laten gaan op 3 augustus, het moment waarop hij in de BRP is ingeschreven. Hij schrikt, want dat betekent dat hij in de periode van 24 juli tot 3 augustus onverzekerd was en de kosten van de ziekenhuisopname niet vergoed worden.

Kees vraagt Zorgverzekeringslijn om advies

Kees neemt contact op met Zorgverzekeringslijn. Hij krijgt het volgende advies. Vraag de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om een onderzoek verzekering Wlz. De SVB bepaalt namelijk wie er in Nederland verplicht is een basisverzekering af te sluiten en vanaf welk moment. Laat je zorgverzekeraar weten dat je het niet eens bent met de huidige inschrijfdatum en dat je wacht op de verklaring van de SVB. Kees volgt het advies van Zorgverzekeringslijn op.

De verklaring van de SVB is leidend

Enkele weken na zijn aanvraag, ontvangt kees een verklaring van de SVB. In deze verklaring staat dat hij vanaf 24 juli in Nederland verzekeringsplichtig was. Hij stuurt deze verklaring naar zijn zorgverzekeraar, die de ingangsdatum van de zorgverzekering wijzigt naar 24 juli. De gemaakte zorgkosten vallen daardoor in de verzekerde periode en worden betaald door zijn zorgverzekeraar.

Twijfel je over je verzekeringsplicht of de ingangsdatum daarvan?

Vraag dan een onderzoek verzekering Wlz aan bij de Sociale Verzekeringsbank. Na een aantal weken krijg je van de SVB een verklaring. Hierin staat of en vanaf wanneer jij verzekerd bent voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit is ook de datum vanaf wanneer je verplicht bent een Nederlandse zorgverzekering af te sluiten. Dit kan dus een andere datum zijn dan je inschrijfdatum bij de gemeente.

Vraag je zorgverzekeraar wanneer nodig om de inschrijfdatum te verleggen, en stuur de verklaring van de SVB hierbij mee.

Bron: Zorgverzekeringslijn.

BE (good)INFORMED ABOUT THE CURRENT BREXIT (as a visitor)

Do EU citizens need to apply for a visit visa before travelling to the UK?

No. EU visitors can fly to the UK and ask for permission to enter the country as visitors at the border.

The Home Office publishes a list of “visa nationals” in the Immigration Rules at Appendix Visitor: visa national list. European countries are not on the visa national list. Only citizens of countries on the visa national list need to apply for a visit visa in advance of travel. Citizens of all other countries can just turn up at the UK border and seek entry as a visitor, either by going through the passport eGates or by speaking to a border officer at a desk.

Who counts as a “visitor” and what are the restrictions on them?

The basic definition is:

This route is for a person who wants to visit the UK for a temporary period, (usually for up to 6 months), for purposes such as tourism, visiting friends or family, carrying out a business activity, or undertaking a short course of study.

Immigration Rules Appendix V: Visitor

There are restrictions on what a person can and can’t do as a visitor. The standard conditions endorsed on a visitor’s entry stamp are “leave to enter for six months, employment and recourse to public funds prohibited” (or wording to that effect).

The same conditions apply if a visitor enters via the eGates without receiving a stamp.

Looking beyond the passport stamp, the Home Office publishes a list of prohibited activities at paragraph V4.4. of Appendix V: Visitor.

 Visitors are prohibited from undertaking these activities unless expressly permitted by another appendix:

Work

Study

Marriage/civil partnership

Medical treatment

An intention to engage in prohibited activities is enough to be refused entry to the UK. This is an important difference between the situation under EU free movement rules and the situation now.

Those wanting to do any of the above prohibited activities can apply in advance for a visa to allow them to do so, for example a Skilled Worker visa, marriage visit visa or a private medical treatment visit visa. These types of visa cannot be obtained at the border; an application must be submitted via the government website.

This all sounds very complicated, I just want to go backpacking around the Highlands.

Before we go any further, let me emphasise that the vast majority of tourists arriving in the UK from European Union countries will have no issues. Most will be able to go through the eGates and not even speak to a border officer. This article is not intended to scare people or to put off tourists. EU citizens arriving to do a bit of travel or tourism should have no trouble.

With all of the stories in the press lately, though, it is important to be aware of what a visit visa entails and what the limitations are — particularly when it comes to work-related activities.

What is a visitor permitted to do?

Appendix Visitor: Permitted Activities sets out all of the things a visitor is allowed to do. These permitted activities introduce exceptions to the broad list of prohibited activities. The permitted activities include:

tourism and leisure

visiting friends and family

school exchanges and visits

volunteering for up to 30 days with a registered charity

attend meetings, conferences, seminars, interviews

negotiate and sign deals and contracts

site visits and inspections

intra-corporate activities

interpreting and translation work as an employee of an overseas enterprise

tour group work

journalism

scientific and academic research

preaching and pastoral work by religious workers

At this point you may be saying to yourself: “wait, so some types of work are actually allowed?” That’s right: all work is prohibited except that which is expressly permitted. The rules say:

Visitors cannot work in the UK unless this is expressly allowed under the permitted activities set out in Appendix Visitor: Permitted Activities.

Immigration Rules

Appendix V: Visitor

Permitted work activity is one of the murkiest areas of the visitor rules and guidance. I am probably not the only lawyer left feeling deeply uneasy when asked to interpret it because there are all sorts of income and work arrangements not expressly addressed. Interpretation of what is or is not permitted is generally going to turn on an individual border officer’s subjective interpretation of the visitor’s intention (see next section). This introduces a risk of refusal even if the would-be visitor believes their intended activities fall within the ambit of the permitted activities.

Is job-seeking allowed?

“Work” is defined as

(i) taking employment in the UK; or

(ii) doing work for an organisation or business in the UK; or

(iii) establishing or running a business as a self-employed person; or

(iv) doing a work placement or internship; or

(v) direct selling to the public; or

(vi) providing goods and services

Paragraph V4.4.(a) of Appendix V: Visitor

Job-seeking/searching is not caught by this prohibition.

Visitors are allowed to look for future employment in the UK — but it is critical that they understand the limitations. Visitors cannot, under any circumstances, begin work if they find a job. If they manage to secure an offer of future employment they must leave the UK and apply for the appropriate entry clearance from abroad, likely under the Skilled Worker visa route.

Young adults arriving from Europe with no return flight and a stated intention to search for low-skilled work with no prospect of sponsorship are unlikely to be seen as genuine visitors and highly likely to be refused entry.

What about job interviews?

Under paragraph PA4. of Appendix Visitor: Permitted Activities, a visitor may attend “interviews”. The rule does not specify what type of interview is permitted, but a plain English interpretation suggests that a job interview is fine. A job interview is not work.

Is remote working permitted?

Yes. Although not covered in any of the Immigration Rules, Home Office guidance says:

Visitors are permitted to undertake activities relating to their employment overseas remotely whilst they are in the UK, such as responding to emails or answering phone calls. However, you should check that the applicant’s main purpose of coming to the UK is to undertake a permitted activity, rather than to specifically work remotely from the UK. Where the applicant indicates that they intend to spend a large proportion of their time in the UK and will be doing some remote working, you should ensure that they are genuinely employed overseas and are not seeking to work in the UK. You must be satisfied that the applicant will not live in the UK for extended periods through frequent or successive visits.

How does a border officer decide if a visitor should be allowed in?

The border officer must be satisfied that the person is a genuine visitor and will leave the UK at the end of their visit. The officer will assess the visitor’s credibility and intentions on the balance of probabilities. In other words, the officer must ask themselves, is it more likely than not that the person is a genuine visitor? This is a subjective decision, and whilst there is a 76-page guidance document available, a lot of the guidance is vague. This can lead to variance in border decision-making.

Some of the most important factors an officer will consider are:

What is the main reason for visiting the UK?

Immigration history, including previous visa refusals, and duration and frequency of previous visits to the UK.

Are frequent and successive visits being used to make the UK the main home or place of work or study? Officers will often examine the cumulative time a person has spent in the UK in the past 12 months to aid their decision-making.

Personal and economic ties to country of residence. Does the person have a job, family, or home to go back to?

Is there a return flight booked?

Does the person have enough funds to cover the costs of their visit?

This is not an exhaustive list. Border officers have a lot of power and should generally assess all of an applicant’s circumstances holistically to reach a decision.

Bron: Free Movement May 24th 2021.

De Europese Raad en Parlement zijn akkoord met de Blauwe Kaart

Bron: Europese Raad

19-05-2021

Het voorzitterschap van de Europese Raad en de vertegenwoordigers van het Europees Parlement hebben een voorlopig akkoord bereikt over de zogenoemde blauwe kaartrichtlijn.

Hierin staan de voorwaarden voor toegang en verblijf voor hooggekwalificeerde onderdanen van derde landen die in de EU komen wonen en werken (“kennismigranten”). Dit EU-breed toelatingsstelsel moet kennismigranten aantrekken en behouden, vooral in de sectoren, waar een tekort aan vakmensen is.

‘De groene en digitale transformatie van onze economieën slaagt alleen als onze arbeids­krachten de vaardigheden hebben om die transformatie te leiden. Onderwijs en levenslang leren zijn hierbij belangrijk, maar we moeten ook kunnen concurreren in de wereldwijde zoektocht naar talent. De herziene regels voor de Europese blauwe kaart bieden meer flexibiliteit, betere voorwaarden en vereenvoudigde mobiliteit, zodat de EU een van de top­bestemmingen voor hoogopgeleide werknemers is’ – zegt Eduardo Cabrita, minister van Binnenlandse Zaken van Portugal

De nieuwe regels zorgen voor verdere harmonisering van de huidige toegangs- en verblijfs-voorwaarden voor kennismigranten en maken de Europese blauwe kaart aantrekkelijker, met name door:

  • inclusievere toelatingscriteria, met onder meer een lagere salarisdrempel voor toelating en lagere salarisdrempels voor pas afgestudeerden en voor beroepen die werknemers nodig hebben, verlaging van de minimumduur van de arbeidsovereenkomst tot 6 maanden, en een uitbreiding van het toepassingsgebied tot kennismigranten uit de ICTsector
  • versoepeling van de mobiliteit binnen de EU, onder meer door de minimum­verblijfperiode in de eerste lidstaat te verkorten, de procedure voor verplaatsing te vereenvoudigen en te versnellen, en door cumulatie van verblijfsperioden onder verschillende regelingen toe te staan om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen
  • vereenvoudiging van gezinshereniging en onbeperkte toegang tot de arbeidsmarkt voor de echtgenoot of partner van de blauwe kaart houder
  • -eenvoudiger procedures voor erkende werkgevers

          

– een zeer hoge mate van toegang tot de arbeidsmarkt, doordat de houder van een Europese  blauwe kaart als zelfstandige of in een andere beroepsactiviteit aan de slag mag gaan met toestemming van de lidstaat, en bescherming krijgt in geval van werkloosheid                                     

          

             

  • uitbreiding van het toepassingsgebied naar niet-EU-gezinsleden van EU-burgers en in bepaalde gevallen ook naar personen die internationale bescherming genieten

Hooggekwalificeerde werknemers uit niet-EU-landen kunnen een Europese blauwe kaart aanvragen, waarmee ze in de Europese Unie kunnen wonen en werken

De EU-lidstaten kunnen hun nationale regelingen voor hoogopgeleide werknemers naast die van de Europese blauwe kaart regeling laten voortbestaan.

De houders van een Europese blauwe kaart en hun gezinnen mogen echter niet worden benadeeld ten opzichte van houders van nationale vergunningen. Het voorlopige politieke akkoord moet door de Raad en het Europees Parlement worden goedgekeurd voordat de formele goedkeuringsprocedure wordt doorlopen.

OOK NEDERLANDS PASPOORT VOOR HEN DIE HET EERST NIET KONDEN KRIJGEN…

Datum 26 april 2021.


Onderwerp Juridische belemmering voor naturalisatie van RANOV vergunninghouders.
Op 20 april 2021 is de motie van de leden Jasper van Dijk en Kuik over het nader
onderzoek naar door Ranov-vergunninghouders ervaren knelpunten voor het
indienen van een naturalisatieverzoek aangenomen (Kamerstuk 19 637, nr.
2709).
De strekking van de motie is om het gezamenlijke WODC/IND-onderzoek te
schrappen en direct uitvoering te geven aan de motie van 4 februari 2021 van de
leden Jasper van Dijk en Van Toorenburg (Kamerstuk 35 483, nr. 68) inhoudende om voor Ranov-vergunninghouders in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap een vrijstelling op te nemen van de voor reguliere vreemdelingen geldende documenteneis.

Ik heb besloten op dit moment in zoverre * uitvoering te geven aan deze moties dat de niet-genaturaliseerde Ranov-vergunninghouder die als minderjarige samen met de ouder(s) of zelfstandig een Ranov-vergunning heeft gekregen,

en inmiddels meerderjarig is, in de optie- en naturalisatieprocedure vrijgesteld wordt van:
a) het overleggen van een geldig buitenlands paspoort (of anderszins een
bewijs van het actuele bezit van een vreemde nationaliteit) en
b) het overleggen van een (buitenlandse)
geboorteakte/geboorteregistratiebewijs en
c) alleen bij naturalisatie: van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit [en daarvan een bewijsstuk te overleggen].

De overige naturalisatievoorwaarden gelden onverminderd ( ** bv geslaagd zijn voor het inburgeringsdiploma, nu niveau A 2, geen ernstige criminele feiten).

Mijn besluit wordt geformaliseerd met een daartoe strekkende aanpassing van het beleid in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Om de uitvoerende instanties voldoende gelegenheid te geven de relevante werkprocessen aan te passen, zal deze beleidswijziging per 1 juni 2021 worden ingevoerd.

Voor de Ranov-vergunninghouders die zelf als meerderjarige in Nederland zijn
geïmmigreerd acht ik het noodzakelijk de onderzoeksresultaten af te wachten om voor hen tot een afgewogen beleidsvorming te kunnen komen.
De onderzoeksresultaten komen in de zomer beschikbaar. Ik informeer uw Kamer over deze resultaten en mijn op grond daarvan genomen beslissing.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Ankie Broekers-Knol

  • * in zoverre betekent hier niet helemaal,
  • ** de toevoegingen zijn van mij.

Het nieuwe inburgeringsbeleid: een hindernisbaan van sancties?

Per januari 2022 wordt de huidige inburgeringswet, welke door experts als disfunctioneel wordt beschouwd, eindelijk afgeschaft. Hoewel de Wet Inburgering 2022 op veel vlakken een verbetering is, blijven inburgeraars geconfronteerd met een indrukwekkend sanctiebeleid. Inburgeraars zijn de dupe van wantrouwen vanuit de overheid en rigide maatregelen. Dit beschrijft Ellen Nissen van Stichting Civic in het recent verschenen artikel ‘Inburgering Gelijkwaardige maatschappelijke deelname of (selectief) migratiebeleid?’ De handhaving is volgens diverse experts in de inburgeringsketen onredelijk streng. Toch neemt het aantal sanctiemomenten ten opzichte van de huidige wet inburgering toe. Daarnaast kunnen inburgeraars boetes opgelegd krijgen op onduidelijke en onterechte gronden.

door: Jolien de Vries & Nikki Scholten/Stichting Civic.

 22 april 2021,

‘Er zijn maar weinig groepen die met zoveel wettelijke verplichtingen en gekoppelde boetes worden lastiggevallen als inburgeraars’ – Tamar de Waal

Hoewel het ministerie van SZW erkent dat de meeste inburgeraars intrinsiek gemotiveerd zijn om de taal te leren en te slagen voor het inburgeringsexamen, is de vormgeving van de nieuwe wet nog steeds gebaseerd op wantrouwen in plaats van vertrouwen. Inburgeraars die verzuimen, niet hun verantwoordelijkheid nemen of te weinig inzet tonen kunnen sancties (bestuurlijke boete of een maatregel) opgelegd krijgen. Dit zou inburgeraars moeten “motiveren om zo snel mogelijk in te burgeren op het voor hen hoogst haalbare niveau (VNG, 2021).”

De Wet Inburgering 2022 telt maar liefst negen sanctiemomenten gedurende het inburgeringstraject. In het huidige beleid zijn al veel inburgeraars de dupe geworden van een systeem dat hen vooral ziet als potentiële fraudeurs (zie portretten uit de Humans of Inburgering reeks). Twee weken terug verscheen het artikel ‘Ongezien onrecht in het vreemdelingenrecht’ van het Centrum voor Migratierecht van de Radboud Universiteit in Nijmegen en de beroepsverenigingen van migratie- en asieladvocaten, waarin overeenkomsten tussen de betrokkenen in de toeslagenaffaire en migranten worden aangekaart. Net als in de toeslagenaffaire hebben ook deze mensen vaak een laag inkomen, hebben ze meestal geen Nederlandse nationaliteit en de toegang tot het recht is voor hen moeilijk. Het wantrouwen van de overheid in deze mensen is veel te groot en heeft vergaande consequenties. Neem bijvoorbeeld de ervaringen van gedupeerde inburgeraars als Nashmil en Ako. Zij zijn een langdurig en uitputtend proces aangegaan om erkend te krijgen dat DUO hen ten onrechte heeft opgezadeld met boetes en schulden[1].

In de nieuwe wet zijn er negen momenten waarop inburgeraars beboet kunnen worden worden:

het niet verschijnen bij de brede intake;

het niet meewerken aan de brede intake;

het onvoldoende meewerken aan de begeleiding binnen het Persoonlijke plan Inburgering en Participatie;

het niet houden aan de vastgestelde intensiteit van het Participatieverklaringstraject;

het niet houden aan de vastgestelde intensiteit van de Module Arbeidsmarkt en Participatie;

het niet houden aan de vastgestelde intensiteit van de leerroute;

het niet tijdig afronden van het Participatieverklaringstraject;

het niet tijdig afronden van de Module Arbeidsmarkt en Participatie;

het niet tijdig afronden van en de leerroute;

In elk van deze gevallen kan een afzonderlijke boete worden opgelegd wanneer er sprake is van verwijtbaarheid. Wat hier onder (gedeeltelijke) verwijtbaarheid wordt verstaan is echter erg ruim opgevat.

In de nieuwe inburgeringswet kan iemand al een (deel van de) boete opgelegd krijgen wanneer bijvoorbeeld de bus onverwacht niet rijdt, een taalschool foutieve informatie verstrekt of wanneer iemand de zorg op zich moet nemen van een ernstig ziek familielid. Als zelfs een ernstig ziek familielid geen reden is om iemand niet-verwijtbaar te verklaren, welke hoogst uitzonderlijke situaties vallen dan nog wél onder de definiëring van niet-verwijtbare omstandigheden (zie nota van toelichting, blz. 27). Het sanctiebeleid van de nieuwe inburgeringswet kent dus een ruime opvatting van (gedeeltelijke) verwijtbaarheid. Dit roept de vraag op: In hoeverre past deze invulling bij het voornemen van de overheid om boetes slechts in te zetten als ‘uiterst middel om onwillige inburgeringsplichtigen te stimuleren’?

In een brief aan de kamer geeft ook VluchtelingenWerk aan verbaasd te zijn dat inburgeraars kunnen worden beboet voor de voorheen genoemde situaties, waarin duidelijk sprake is van onmacht in plaats van onwil. VluchtelingenWerk adviseert om met incentives te werken en (onder andere bij de regels voor verzuim en verwijtbaarheid) meer rekening te houden met de omstandigheden, positie en achtergrond van de inburgeringsplichtigen, omdat in veruit de meeste gevallen sprake zal zijn van onmacht en niet van onwil. VluchtelingenWerk wil zich krachtig verzetten tegen het voorgestelde boetesysteem waarbij inburgeraars onevenredig hoge boetes opgelegd kunnen worden voor niet of nauwelijks verwijtbare zaken. Zij zijn van mening dat in dit soort situaties een waarschuwing zou volstaan en pas bij herhaling reden zou zijn voor het opleggen van boetes.

Aansluitend bij de kritische blik van VluchtelingenwWerk, kan worden toegevoegd dat drie van de negen sanctiemomenten gebaseerd zijn op het straffen van onvermogen, oftewel het niet op tijd halen van examens. Dit is het geval bij boetes voor het niet tijdig afronden van het Participatieverklaringstraject, de Module Arbeidsmarkt en Participatie en de vastgestelde leerroute. Het rapport ‘Evaluatie nieuwe Amsterdamse aanpak inburgering in de ondertussenperiode’ van het Verwey Jonker Instituut wijst erop dat inburgeraars mogelijk niet hun volledig potentieel benutten wanneer onvermogen wordt beboet. Uit angst voor boetes kunnen inburgeraars kiezen voor een veilige weg. In het nieuwe systeem zou dat tot uiting kunnen komen in onderprestatie bij de leerbaarheidstoets of het nastreven van afschaling naar een (voor diegene) te makkelijk leertraject. Een kleine kans op falen staat immers gelijk aan een kleine kans op een boete. Op deze manier heeft het dreigen met boetes een averechts effect op de inburgering. Naast dat boetes inburgeraars kunnen demotiveren hun hoogst haalbare niveau na te steven, brengt deze dreiging ook veel stress en mentale druk met zich mee.

De nieuwe wet bevat een overmaat aan sanctiemomenten. Bovendien ziet het er naar uit dat de invulling van verwijtbaarheid averechtse effecten zal hebben. In plaats van inburgeraars te motiveren, leidt de angst voor boetes tot veel stress en mentale druk en kan het mensen ervan weerhouden hun volledig potentieel te benutten.

Bronnen

Andriessen, I., J. Asmoredjo, R. Yohannes, en T. van Heese. (2021). Evaluatie nieuwe Amsterdamse aanpak inburgering in de ‘ondertussenperiode’. Verwey Jonker Instituut.  

Geertsema, K., K. Groenendijk, C. Grütters, P. Minderhoud, E. Nissen, Strik, A. Terlouw, en K. Zwaan. (2021). ‘Ongezien Onrecht in Het Vreemdelingenrecht’. In Nederlands Juristenblad. 14: 979 – 1053

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (2021). ‘Wet van 2 december 2020, houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021)’. In Staatsblad van het Konikrijk der Nederlanden. 38: 1 – 21.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (2020). Ontwerp besluit inburgering 20… Rijksoverheid.

Nissen, E. (2021). Inburgering Gelijkwaardige maatschappelijke deelname of (selectief) migratiebeleid?’ In Nederlands Juristenblad. 14: 1054 – 1061

Schaap, S. (2021). Inbreng schriftelijk overleg ‘Ontwerp van het Besluit inburgering 20.. en ontwerp van de Regeling inburgering 20..’. op 20 januari a.s… Vluchtelingenwerk Nederland.

VNG. (2021). Naleving nieuwe Wet inburgering. Vereniging van Nederlandse gemeenten.

Waal, de T.M, en A. Mohammad. (2019). Reactie op Consultatie Wet Inburgering 20[..]. Stichting Civic.

[1] Tijdens een rechtszaak op 7 April 2021 is besloten dat DUO de eis op terugbetaling van de schulden zal moeten laten vallen. Na een periode van twee jaar zijn zij van hun schulden verlost.

BELANGRIJK INBURGERINGSNIEUWS.

32 824 Integratiebeleid
Nr. 325 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 april 2021

In de meest recente uitvoeringsbrief inburgering van 2 februari jl. (Kamerstuk 32824, nr. 322) heb ik u geïnformeerd over de aanpak van personen aan wie ten
onrechte de inburgeringsplicht niet is opgelegd.

Het betreft drie groepen:

  • De zogenoemde oudkomers: personen die zich voor 2007 de eerste keer in
    Nederland hebben gevestigd (maximaal 1.464);
  • Personen met een verblijfsvergunning voortgezet verblijf die niet waren
    aangeleverd door de IND (maximaal 250); en,
  • Personen die ten onterechte tijdelijk zijn vrijgesteld van de
    inburgeringsplicht (maximaal 130)1.
    Inburgering heeft als doel dat nieuwkomers beschikken over kennis van de
    Nederlandse taal en samenleving, zodat men de basis heeft om te functioneren in de Nederlandse maatschappij. Ik wil niet dat mensen die al participeren en werken in onze maatschappij jaren te laat geconfronteerd worden met oplegging van de inburgeringsplicht en de daarbij horende verplichtingen door een fout van de overheid. Daarom is voor de volgende benadering gekozen.
  • DUO stuurt al deze personen een beschikking met uitleg over de situatie dat de
    inburgeringsplicht eerder opgelegd had moeten worden. Daarbij wordt betrokkene erop gewezen dat ontheffing van de inburgeringsplicht verleend kan worden als de betrokkene participeert op de arbeidsmarkt.
  • Iemand wordt ontheven van de inburgeringsplicht wanneer voldaan wordt aan het criterium voor vrijstelling voor het inburgeringsexamenonderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt(ONA) voor werkenden. Dit criterium behelst dat de betrokkene gedurende een periode van twaalf (12)maanden voorafgaande aan het verzoek tot vrijstelling in ten minste zes (6) maanden minimaal 48 uur per maand werkzaamheden heeft verricht.
  • Via een aanvraagformulier kunnen betrokkenen binnen zes (6)weken een beroep doen op deze vrijstelling. Als de inburgeringsplichtige voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling dan wordt die in zijn geheel ontheven op basis van de ruime bevoegdheid tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen (AGI).
    Normaliter geldt de ontheffing op grond van AGI alleen voor de
    taalvaardigheidsonderdelen en het onderdeel Kennis van de Nederlandse
    samenleving, en niet voor het participatieverklaringstraject (PVT-traject). Het
    PVT-traject, dat verzorgd wordt door gemeenten, is bedoeld voor nieuwkomers die aan het begin van hun inburgeringstraject staan, als een kennismaking met de beginselen van de Nederlandse rechtsstaat en de Nederlandse normen en
    waarden.

Ik vind het niet zinvol dat personen, die al enige jaren in Nederland wonen en
werken en dus participeren in de Nederlandse samenleving dit PVT-traject moeten afleggen. Daarom worden zij ontheven van de inburgeringsplicht zonder dit traject doorlopen te hebben. Op deze manier wordt voorkomen dat deze groep de dupe wordt van een fout van de overheid.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. Koolmees

1 Cijfers zoals dit moment bekend (Bron: DUO). Aantal kan lager worden door redenen als vertrek, ander verblijfsdoel of overlijden.